Van mensen, duiven en dingen…

Club Brugge: hoogmoed voor de val...
Politiek: ze kunnen zelfs geen plaag processierupsen stoppen
Smog: dan draaien we toch gewoon de bordjes om...
Alarm ocharme: de boekentassen wegen te zwaar...
Ik hou het maar bij mijn spreeuwen en mijn roodborstjes...
ZOVEEL POLITIEK... IK ZOU
ZE ZO GRAAG EENS EEN
"TOEK" OP HUN
BAKKES
GEVEN
Ik weet niet wat het is maar mensen die mij beter kennen, beginnen zowaar aan mijn verstandelijke vermogens te twijfelen. Er scheelt iets, zeggen ze. Misschien is er wel ergens één of ander hoekje af. Eerst dachten ze dat ik een tikkeltje ziek was. Niet meer goed bij het hoofd. En waarom ze dat zeggen? Wellicht omdat de wildebras in mij langzaam maar zeker bezig is te sterven. Zwaar uit de bol gaan? Het is een zeldzaamheid geworden. Pinten drinken tot een kot in de nacht? Ook dit soort uitspattingen staan nog maar zelden in mijn agenda. Pasop, ik durf mij nog
wel eens te laven in goed gezelschap aan een betere fles wijn, ik wil het nog wel eens hebben over een onnozelaar van een Bert Anciaux of over een Niels Albert die straks het hele veldrijden op een hoopje gaat fietsen... Neen, over ons nationale voetbal wil ik het liever niet meer hebben. Brugge onderuit tegen Roeselare. Jackie Mathijssen: meer ballon dan voetbalcoach. Meer prietpraat dan verstand. Jan Ceulemans vloog ooit bij Brugge buiten. Wel, mijnheer Mathijssen mag de veters van "sterke Jan" niet eens knopen. Eerlijk waar: ik heb in mijn leven heel veel voetbaltrainers ooit de revue zien passeren maar een holler vat dan de coach van Club Brugge... Iets vergelijkbaar slecht is niet te vinden, denk ik dan. Hoogmoed voor de val. Het is quasi zeker dat de valies van Mathijssen al een eind gepakt staat. En ik weet het ook wel: hij is niet de enige schuldige. Maar wat wil je als je Club Brugge bent en niet in staat blijkt om een paar degelijke voetballers naar Jan Breydel te halen. Wat er nu loopt, is simpelweg derde garnituur. Ook Mark Degryse vloog eerder aan de deur maar wat blijkt vandaag: manager "mijnheer" Devroe is compleet onbekwaam. Maar we gingen het toch niet meer over voetbal hebben? Niet over de crisis, niet over het weer. Maar misschien nog wel één keer over Israel, over Gaza en de Westbank. Ja, het is daar een godverdomse, vuile oorlog. Wie gelijk heeft, weet ik niet.
Ik weet wel dat mensen soms verschrikkelijke "beesten" zijn. Regeringen moordmachines en als verder blijkt dat de wereld met dit soort verschrikkingen moet leven... Tsja, wat doet een mens dan met tweeduizend jaar beschaving? Niks zeker. Van dit soort zaken word ik dan weer wel stil. En heel diep van binnen zou ik zoveel politieke beunhazen heel graag een "toek op hun bakkes" verkopen. Ja, voor dit soort werk mogen ze mij nog wel eens wakker maken. Kinderleed en oorlogsleed: lager kan een mens niet vallen. En als ik dan al die dikke, diplomatieke nekken op mijn plasma zie passereren, kan ik het vloeken niet laten. Stuk voor stuk worden ze door ons rijkelijk betaald voor vrede: ze doen niks. Ban Ki Moun en heel zijn pompeuse Verenigde Naties: het zijn kikkers-op-sterven. Ook dit soort gasten zou ik graag één keer een "toek op hun bakkes" verkopen. Hun hele diplomatieke winkel kost de wereld miljarden veel geld: ze zijn niet eens in staat om een plaag processierupsen te stoppen. Laat staan een oorlog in het Midden Oosten... Nogmaals: het gaat hier niet wie goed of fout is, het gaat hier om STOPPEN.
Je maakt je toch nog druk, zeg je. Ja, dat klopt ja. Want binnenskamers maak ik mij al een eind zorgen om morgen. Over een wereld en een land vol stommiteiten. Neem nu SMOG in ons "landeke". Fijn stof... Weet ge wat wij doen om het proberen oplossen: wij draaien simpelweg een paar verkeersborden om. En dat is het dan. Het probleem bij tak en wortel aanpakken, durven we niet. Alles wat vervuilt simpelweg op de schroothoop gooien: zijde zot... Het is nochtans de enige, echte oplossing. Vuile open haarden, vuile allesbranders en vuile auto's: weg ermee toch. En in plaats van nog meer beton te gieten, horen we bomen te planten. Bossen en parken aan te leggen. En waterpartijën. Maar neen: wij draaien een bord om. Laurel en Hardy in hun beste dagen. Ook nog net deze middag zag ik hoe ze in mijn land bezorgd bleken? Het probleem: het gewicht van de boekentassen van de kinderen ligt te hoog. Aan de schoolpoort stonden verontruste ouders zowaar met een "basculleke". Met een weegschaal in 't beter Vlaams. Tien kilo, elf kilo een half, net geen dertien kilo. Het land leek bijna te klein. Tien kilo... Oei, oei, oei: dat is slecht voor de rug, mijnheer. Veel te lastig en veel te zwaar. Als daar maar geen vodden van komen. En wat gaan de gevolgen zijn voor later als ze groot zijn? Komaan zeg... Als kinderen op
hun twaalf een lief mogen hebben, als diezelfde kinderen tot een kot in de nacht naar fuiven mogen, als ze één keer een jointje mogen roken... Weet ge wat ik zeg: dan moeten ze, godverdomme, ook maar een boekentas van tien kilo kunnen slepen. Is toch zo... Waarom moeten wij van tien, twaalf of veertien jaar serreplantjes maken? En bovendien dragen ze die boekentas amper. Ze stappen thuis in de auto en - verwend als ze zijn - worden ze twee en een halve kilometer verder door ma of pa afgezet. Van stappen of fietsen worden ze moe. Maar we staan wel boekentassen te wegen aan de schoolpoort. Ik weet het wel: de tijden zijn veranderd. Maar als wij zo oud of zo jong waren... Wij gooiden met "zakken patatten" van vijfentwintig kilo dat het een lieve lust was. Wij reden met kruiwagens, wij stonden op de hooiwagens, we reden acht kilometer ver en in korte broek naar school. Enkele rit... Per fiets.
Maar 't klopt ja... De tijden zijn veranderd. En als ik hoe langer, hoe minder nog te vangen ben voor grote uitstappen heeft dat alles te maken met een wereld vol druktemakers. Je kunt nergens komen of het is lawaai, geschetter, geroep, getier, getoeter. Mensen lopen te rennen met zure gezichten. De wereld is overduidelijk op drift. En daar kan ik niet zo tegen. Al dat opgefokt en driftig gedoe: laat die kelk maar aan mij voorbijgaan, denk ik dan... Ik heb wel wat anders te doen dan mij te gooien in dit soort schijngevechten-voor-niks. Thuis en elders kijk ik veel liever naar de winterse spreeuwen en naar de koolmezen, naar de vinken en in mijn tuin in Spanje zitten vandaag zestien roodborstjes. Ja, ik heb een bakje staan. Met voer en lekkernij. Een ganse dag door komen ze eten en smikkelen. En als dank fluiten ze een liedje-van-plezier. Met opperste bewondering heb ik vanmiddag ook nog bijna een vol uur naar een herder en wel honderd schapen zitten kijken. Schapen in alle soorten en maten. Klaar, niemand snapt mij maar veel schoner is bijna nergens nog te vinden. Verborgen en verborgen in het diepst van mijn gedachten moet ik ook weer elke keer terug denken aan mijn kindertijd en lang geleden. Ook toen bestond nog stilte. Bijna bangelijke stilte. Op de boerderij-van-mijn-jeugd ben ik altijd heel intens gelukkig geweest. Ik schreef het ooit eerder: gebakken patatten met ajuinsaus, karnemelk-met-brokken en rijstpap-met-veel-saffraan...
Dat waren nog eens culinaire hoogstandjes. En tafelbier van de "Sleutel" smaakte lekkerder dan de beste wijn vandaag op fles getrokken. En ik herinner mij nog elk moment het ronken van de Leuvense stoof en het piepen van de keldertrap. Nog steeds vandaag kan ik mij die geur van vers gemolken melk ruiken. Of het vlees in pekelvaten. En weet ge wat ik nog steeds zo hemels durf te vinden: het geklingel van de halsters van de koeïen in de stal. Elke keer als ze met hun kop schudden, klonk het klingelend schoon... En buiten voor het slapen gaan, viel de natuur simpelweg stil in slaap. Een stuk van mijn jeugd was vrede en stilte en jaren van intens genieten. Niks te
kloten met Steracteur, Sterartiest, geen Italiaanse Droom, niks Spoed en nooit Louislouise. De Bedenkers waren we zelf alsook de Slimste mens ter wereld. Wat Rode Lopers waren, wisten we niet maar half Vlaanderen was wel ons vakantieland. Thuis en Familie speelden we zelf en Vinger aan de poot was ons eigen leven.
Neen, ik heb niks gemist in mijn jeugd. Geluk is daar geboren, denk ik dan... Zoals sommige trekjes die ik nooit zal kunnen wissen. Zo gingen wij op de boerderij nooit naar bed vooraleer iemand nog één keer buiten was gaan kijken. En elke avond voor het slapen gaan, werd ook nog één keer in alle stallen gekeken. Soms zonder maar dikwijls met de petroleumlamp. Het schijnsel op de witgekalkte muren was magie en vrede. En als alles smetteloos stil was, werd de deur dichtgetrokken. Nooit heb ik vrediger geslapen dan in zo'n ouderwetse beddenbak... Onder witte lakens gewassen aan de rand van de waterput en gedroogd op gras.
Wat zou ik mij dan vandaag in de mallemolen van onnozelheid gaan begeven. Schetterkroegen met discomuziek-zonder-notenbalken. Lallende medemensen die wereldproblemen staan op te lossen maar met de minuut zatter en ongelukkiger worden. Ik hou het veel liever bij mijn roodborstjes en mijn spreeuwen. En ja, nu ge 't zegt: ik heb ook nog alijd een vrouw! (13-1-2009)
Ludo GEERTS
Ze zijn failliet maar bij FORTIS geven ze nog gauw een feestje. In Monaco nog wel...
Bescheidenheid siert de mens... Dat was vroeger zo!
IK KIJK ALLEEN NOG NAAR DE
"COLLEGA'S"...
Ik ben diep beschaamd en heel ontgoocheld. Vorige week... Ik wou en zou televisie kijken. Peter Live weet je wel. Ik kon niet. Een pint drinken met buren blijft nog steeds belangrijker dan de lichtbak-van-een-televisie. Dus moest het maar uitgesteld. Vrijdag dus. Peter Live moest en zou een absoluut topprogramma worden, werd ons ingepeperd. Van De Veire is tenslotte een wonderkind en en als ze dit soort exemplaren op het mensdom loslaten, mag je verwachten dat het spettert. Het zou donderen en bliksemen tegelijk. Dit soort televisie werd nooit eerder gemaakt... Ik legde mij op mijn rug. Van De Veire mocht komen. Hij is gekomen. Met als resultaat dat ik nog nooit zo'n klote-programma heb meegemaakt. Als je niks beter in huis hebt dan De Kreuners en Sandrine, als je bovendien niks nieuws dan alleen maar platgetreden paden bewandelt: dan zeg ik "sukkelaar"... Als dat de nieuwe "god" van het televielandschap moet voorstellen, blijft mij maar één goeie raad. Juist: heel veel boterhammen eten. In gazetten en in spotjes en de boekskes hebben ze aardig hun best gedaan om van dit schamel manneke wat te maken: het is niks geworden. Een plof van een papieren zak. Een ballon met een prikje. Voor de rest overduidelijk heel veel "jannerij" en soms zelfs een vleugje "jeanettendom". Gelukkig ben ik van de heer Van De Veire niet geworden. En kijken doe ik nooit nog. Peter Live heeft zijn eerste en laatste kans grandioos verkwanseld. Zijn stomme programma had veel weg van een heel oud kampvuur uit mijn jeugd. Ja, ik heb wel wat jaren aan zo'n vuur mogen zitten. Wij deden het veel beter. Bij ons werd nog gezongen. Vandaag is muziek niks anders dan geschetter en geschreeuw. Ik moet dan onwillekeurig aan eksters en kraaien denken. Van juiste noten op een juiste plaats hebben ze kennelijk nog nooit gehoord en als ze geen "oortje" in hun oor hebben, kennen ze tegenwoordig zelf hun eigen tekst niet meer. Van De Veire: een scheet in een fles. Niks te beleven. Toch ben ik diezelfde avond nog enigszins gelukkig gaan slapen. Dankzij de "Collega's" jawel. Hoewel ik ook niet echt hou van herhalingen en "ouden brol" ben ik toch nog effen gebleven. Ze zijn mij nog allemaal vertrouwd. Van Hie en De Pesser en Thienpondt en Philemon Persez. Zelfs "de Jomme" en "Mireille meisje" zijn geen haar veranderd. Het Mechels Miniatuur Theater is mij immers altijd nauw geweest. De broers Verreth (René en Manu) komen tenslotte van Katelijne Waver. Zes kilometer van mijn deur. Heel hun leven zijn zij trouwe klanten van KV Mechelen geweest. En als ik zeg dat ze elke thuismatch als laatste het licht uitdeden, is dat geen woord gelogen. Om de veertien dagen moesten we ze buitenkeren. Toffe gasten. Waar de Ster bleef stille staan van Timmermans heeft nooit iemand schoner kunnen spelen dan zij. Om te zwijgen van het "Machtig reservoir". Bijna duizend keer gespeeld, denk ik...
Neen, vandaag hebben ze niks te kort. Ze zijn met pensioen, ze hebben zelfs een buitenhuis in Spanje. Maar in de tijd van de Collega's waren René en Manu absolute armoezaaiers. Ze hadden tenslotte hun job als klerk bij de RTT laten staan om bekend en beroemd te worden. Maar dat viel echt wel tegen in die dagen. Wel zestig keer heeft René mij ooit verteld dat hij en zijn vrouw de rolluiken neerlieten op het ogenblik dat de brouwer langskwam. Ze konden hem niet betalen. Ze gingen dan plat op hun buik liggen om de indruk te wekken dat ze niet thuis waren. Toch was het een schone tijd. Prachtig spel en altijd volle zalen. En ze zijn ook nog geen haar veranderd. Een Duvel kan er nog altijd in.
Ja, naar "de" Belgen heb ik ook gekeken. We hebben gewonnen maar 't moet gezegd: Armenië is niet echt een wereldploeg. Het niveau is eerder derde klasse, laat staan bevordering. Maar nogmaals: de punten zijn binnen. En iedereen leek tevreden. De Heizel was dan wel maar halfvol
gelopen, het volkslied van Toots Tielemans werd afgevoerd maar tussen ons: heel grandioos hebben we nu ook weer niet gespeeld. Gillet vind ik maar matig kaliber en zelfs Steven Dufour lijkt alsmaar beter te kunnen "klappen" dan te scoren. Mijnheerke wil immers nog steeds weg bij Standard. Hij vindt dat hij te groot geworden is voor ons vaderlandse balspel. Elke dag krijgt hij op zijn minst een halve pagina in haast elke gazet om zichzelf te hemel in te zingen. Dat hij het woensdag dan maar eens bewijst, denk ik dan. Dan komt Spanje naar Brussel. En dat is wel top... De kans is echt niet gering dat wij vier dagen na Armenië wel eens serieus op ons moeder gaan moeten roepen. Bescheidenheid siert de mens zeker? Alleen voetballende Belgen hebben dit boekje kennelijk nog nooit gelezen. Pasop, ik ben niet zo venijnig dat ik ons balspel woensdag een oplawaai wil zien krijgen. Maar de kans is alleszins heel, heel erg groot.
Wat zijn wij toch - in geen tijd - een land van kikkers en dikke nekken geworden? Neem nu die Iron Man van Hawaï. Beke, Luc Van Lierde, Van Hoenacker, Jamaer en ene Frederik van Lierde. Onze plaats is tussen de eerste vijf, zeggen ze in koor. We zijn in orde, wij zijn top, we zijn er klaar voor. Dat gaat vonken geven, denk ik dan. Tot ik dan één zondagmorgen later hoor en verneem dat enkel Rutger Beke zich heeft kunnen handhaven. De rest? Opgegeven, bijna vedronken, het einde niet gehaald. Pasop, ambitie kan in sport nooit ontbreken. De vooruitzichten moeten helder zijn. Maar dit? Zelden meegemaakt. Over het paard getild. Net niet verdronken. Maar zo zit de wereld tegenwoordig in mekaar denk ik dan... Mensen hebben nog amper zelfkennis. Ook geen half
greintje respect. Neem nu Fortis in dit land. Blut en verkocht. Geld en aandelen die niks meer voorstellen. Maar wat doen ze bij Fortis aan de top? Ze geven zowaar in Monaco een feestje op het eigenste moment. Ze gaan er uitwaaiën, schransen en zuipen en de grote Jan uithangen. Kostprijs: vijftigduizend euro. Ze zullen gedacht hebben: 't is toch naar de kloten, we zullen het er nog één keer goed van nemen. Hebben ze gedaan... En ze vinden het nog normaal ook. Ik betwijfel alleen of dat de goeie manier is om een bank te redden? En wat gaan de klanten zeggen? Wedden dat ze hun laatste cent nu echt wel van de bank gaan halen. Ze hebben gelijk. Dit zijn geen manieren. Fortis mag voor mijn part garndioos op de fles. En op de pot... (12-10-2008)
Ludo GEERTS
Geluk is een kwestie van goeie afspraken...
IK HOU VAN ROTZOOI EN OUDE ROMMEL
Om eerlijk te zijn: ons huishouden doet het nog altijd naar behoren. Ik durf het bijna niet te zeggen maar wij zijn tenslotte al een eeuwigheid katholiek getrouwd. Dat trouwen is gebleven, dat katholieke iets minder moet ik toegeven. Voor de rest stellen wij het wel. Maar dat komt omdat wij niet echt modern zijn. Mijn vrouw en ik: wij hebben weinig notie van het moderne leven. Uit de echt zijn we nooit gescheiden, wij kennen niks van éénouder-gezinnen en zelfs bij een psychiater of een zielenknijper zijn we nog nooit te rade gegaan. Wij hebben een dak boven ons hoofd, een auto en elk een spaarboekje. En om verder geen al te grote ruzie te moeten maken, zijn wij in het bezit van twee aparte televisiehoeken. Links vieren Vitaya en Vijf-tv hoogtij heb ik de indruk. Kookprogramma's doen het aan die kant nog steeds en bij momenten hoor ik mijn wederhelft zich een kriek lachen bij Huizenjacht of Plek onder de zon... Miserie van mensen: het inspireert kennelijk. Hoe meer tegenslag, hoe interessanter. Verborgen gebreken, afvoerleidingen en daken die lekken of zwembaden die scheuren: het werkt altijd. Ik, mijnheer, zit in de andere hoek. Nieuws, de wereld draait door, Ter Zake, de Laatste Show en Pauw en Witteman zijn zo'n beetje mijn favorieten. Topvoetbal mag er ook soms bij. Maar dan moet het wel iets voorstellen natuurlijk. Neen, geen geklooi zoals gisteren Club tegen de "jonge jongens" uit Bern. Young Boys
Bern. Dit soort voetbal is simpelweg derde garnituur. Club lijkt een beetje op Dexia. Ze zouden wel willen maar ze kunnen niet. Ciman, Akpala, Dirrar en Geeraerts zijn maar simpele potstampers als je 't mij vraagt. Amper talent, niks verrassend. Maar ze willen in Brugge wel een nieuw stadion. Twee jaar lopen ze daar al over te piepen. Veertigduizend man groot moet het worden. Plus een boel winkels en parkings en beton... Wat is het nut, vroeg ik mij gisteren nog af. Tegen Bern kwamen amper achtienduizend mensen opdagen. Europees gewriemel. Waarom hoef je dan een kuip te bouwen met dubbele bezetting? Voetbal met lege plekken: het is als een duif in volle rui. Niks mee aan te vangen... Met alle respect maar volgens mij gaat het nog steeds niet echt goed met Club Brugge. Dat wist ook Vital Borkelmans mij laatst nog te vertellen. Wij zaten toevallig vorige zondag nog in 't zelfde vliegmasjien. Borkelmans met zijn blonde madame en zijn dochtertje. Brommerke heeft jaren bij Club gespeeld. Nog in de hoogtijdagen. Met Jan Ceulemans en toen Antoine Van Hove nog iets te zeggen had... Het waren de jaren dat het in Olympia bij momenten durfde spoken. Brommerke op en af de lijn. Tot hij geen pap meer kon zeggen... Vandaag is het voetbal in zijn algemeenheid naar de kloten, vertelde Vital. Iedereen voelt zich vedette, iedereen wil enkel maar veel geld maar voor mekaar het vuur uit de schoenen lopen... Momentje, dat is aan de heren niet besteed. Voetbal kent nog amper gevoel en vriendschap. Wij gingen vroeger samen grote pinten drinken, wij waren een kliek vrienden. En dat werkte. Vandaag zie ik daar niks nog van. En dat vertaalt zich in presteren... Is Borkelmans misschien ook al een oude vent geworden? Neen, hij ziet wat hij ziet. Zelfs zijn voorstel is niet echt mis. Moet je weten: Brommerke heeft in zijn jonge jaren nog in de mijn gewerkt. Ondergronds. Daar was iedereen zwart en iedereen gelijk. Misschien moeten die would-be vedetten van vandaag daar eerst maar eens een paar maanden stage lopen, zegde hij. Ze zouden piepen maar ze zouden tenminste weten wat samenhorigheid en collectiviteit betekenen. Borkelmans heeft een beetje gelijk. Met dikke nekken-op-noppen kun je niks. Maar waar hebben we het over? Ik had het toch over mijn eigen huishouden. Jawel, dat loopt perfect. Wegens heel goeie afspraken gemaakt. Mijn vrouw doet alles en ik doe zo weinig mogelijk. Of bijna
niks. En dat werkt... Soms ruim ik de tafel af, ik zet de vuilbak op dinsdag buiten en de "blauwe" zak. Ik ga tanken als het moet, ik haal 's morgens de krant uit de brievenbus. Voor de rest zijn mijn huishoudelijke activiteiten - echt waar - heel beperkt. Vraag mij niet hoe de vaatwasser werkt en met de micro-wave wens ik verder ook al niks te maken te hebben. En dat loopt (voorlopig) nog altijd prachtig verder. En als we dan toch al eens "zever" hebben, heeft het doorgaans met oude rommel te maken. Mijn vrouw wil dat weg, ik wil alles altijd houden. Mijn vrouw houdt van opruimen, ik ben meer een man van stockeren. Laatst stond ze nog op punt haar oude schoolrapporten weg te gooiën. Niet doen toch... Je gooit je schooltijd toch niet over boord? Soms wil ze een oude kast weg. Ik stel dan mijn veto want al dit soort zaken hebben voor mij echt nog wel betekenis.
Ja, ik ben de trotste bezitter van nog heel wat rotzooi en oude rommel. Zo ben ik nog steeds in het bezit van kranten waarin ik voor het eerst mijn eigen stukjes mocht schrijven. Artikels met mijn naam onder. Jaargang 1965 en I966 staat erop. Tweeënveertig jaar geleden is dat. Ze zijn vergeeld en ze ruiken muf maar ik bewaar ze. Net zoals ik het diploma en de medaille van mijn vader uit 1960 koester. Laureaat van de Arbeid. Ik ken geen reden maar het diploma is nog wel met Chinese inkt geschreven. Zo bewaar ik verder ook nog duivenuitslagen uit 1952. Toen Holland onder water stond en wij vrolijk met duiven speelden. En mijn missaal van mijn plechtige communie. En een paternoster voor de rozenkrans. En een oud wijwatervat toen mensen nog wisten wat Palmzondag ooit heeft betekent. Ja, ik kan zo moeilijk afstand nemen van dingen uit mijn jeugd en nog veel vroeger. Wat mijn vrouw "rommel" durft te noemen, heeft voor mij betekenis. Zoals de oude, koperen ketel waar mijn moeder de was in afkookte. Of de "bascule" waar patatten op gewogen werden. Ik heb zelfs nog alle gewichten. Van vijfhonderd gram tot vijftig kilo. En dat ding werkt nog. Ik koester verder ook nog het aannemersmateriaal van mijn schoonvader. Van voegers over truwelen tot een schietlood in onvervalst koper. Tuurlijk is dat allemaal oude rommel maar met dat materiaal zijn ooit wel honderd huizen of meer gebouwd. Dat gooit een mens toch nooit in een
container. Oude kasten? Nog zo'n verhaal. Commodes-van-vroeger... Gemaakt uit vol hout nog. Nu is alles geplakt en rommel en Ikea. Dat is pas miserie... Vandaag is alles wegwerpmaatschappij. En mensen nemen dat hoe langer, hoe letterlijker. Eén op drie zijn vandaag liet langer getrouwd, ze zijn uit mekaar en gescheiden. Apart together. In één op drie huishoudens zit vreemd volk in 't spel. Maar spreek ze niet want de miserie druipt van veel muren. Tuurlijk ben ik ouderwets en natuurlijk snap ik duizend dingen niet meer. Toch stap ik niet mee in deze wereld van kloterij en vervaging. Neem nog één keer het halve bankwereldje van deze week. Fortis en Dexia bijna failliet bij gebrek aan normen en waarden. Macht en grootheidswaanzin zijn nog amper te temmen. Zelfs managers die zichzelf verstandige mensen noemen zijn in veel gevallen elk plichtsbesef compleet verloren. Zij denken van zichzelf veel en alles te mogen. Maar ze zijn al lang de pedalen kwijt. Ze kennen alleen nog maar de hoogte van hun opstap-premie. En omdat ze zich qua beloning geen enkele zorg hoeven te maken, kloten ze maar aan. Want dat is het. Kloten is het enige, juiste woord. Maar wat veel erger is? De maatschappij lijkt dat zowaar allemaal toe te laten. Als kiekens-zonder-kop laten mensen zich doen. Ik niet... Mijn vrouw mag nog duizend keer zeggen dat ik zoveel oude rommel maar beter zou opruimen: ik doe het niet. Ik ben en blijf op dat vlak burgerlijk ongehoorzaam. Maar zij weet dat. Wat maakt dat we na zoveel jaren nog steeds door één deur kunnen. Twee aparte televisies dat wel... Maar eten doen we nog samen. Praten ook en soms een pint drinken met buren en kameraden. Geluk is immers niet te koop. Dat is er en dat krijg je. Op voorwaarde dat je niet elke dag het zotteke gaat uithangen. En weet ge waar ik ook heel trots op ben... Ik bezit nog zo'n koperen "toeterke" uit de tweede wereldoorlog. Zo'n ding waar ze in 't leger op liepen te blazen als de vijand in zicht kwam, denk ik. Of als ze moesten patatten "jassen"... Ge denkt toch niet dat ik dat ooit naar 't containerpark ga brengen zeker? Nooit, never en jamais. Dat er evenwel één keer zal belanden, is wel zeker. Als ik dood zal zijn en als anderen mijn huis leegmaken. Ik hoop dat ik nog wat tijd heb... (3-10-2008)
Ludo GEERTS
De grootste zatlap van de buurt... We hebben hem een staatsbegrafenis gegeven...
PINTEN DRINKEN IS GEEN ZONDE!
Het is bekend. Bij momenten verlaat ik mijn land en zijn bewoners. Wegens te flets, te koud, te grijs en te veel nattigheid. Twee uur later zit ik dan netjes in de zon. Of beter: ik zit het liefst onder mijn olijf-en appelsienbomen. Ligstoeltje, sigaretje, een goed boek. Neen, ik ben niet die doornsnee toerist die halve dagen in de zon ligt te bakken en te braden, factor-50 smeert tot het faillissement in zicht komt. Ik hoef mijn bruingebrand kantje aan niemand te bewijzen. Ik ben ook niet gek. Als ik alleen al het leed, de pijn en zoveel volharding zie om wat brons op je lijf: ik moet lachen. Want vakantiegangers zijn stapel... Maar ja! De buren moeten toch merken dat we met vakantie zijn geweest. Dag Jan... Ik doe niet mee nee. Ik lees een eind. Eingelijk alles wat onder mijn ogen komt. Zo heb ik net "Knielen op een bed violen" uit. Een prachtige kanjer. Jan Siebelink is de schrijver. Een Fries uit het hoge Noorden. Siebelink beschrijft zijn jeugd en een stuk vroeger... En plots merkt een mens dat hij niet van gisteren meer is. Zo durf ik ook op een onbewaakt moment cd-tjes te spelen. Ik heb zo'n ding van Van Den Borre. Dik honderd euro denk ik... Ik ken alleen aan en uit en ik weet zelfs het klepje te vinden waar je zo'n schijfje moet deponeren. Ja, ik durf nog van die ouderwetse Vlaamse nummers te draaien. Zo botste ik laatst nog op Marva. Herinneringen, om zoveel mooie dingen... Neefs is doorgaans ook van de partij. Tot ik op iets heel oud botste. Jantje was een kleine kleuter, enig kind en zeer verwend... Ik hoorde mij neuriën en onwillekeurig moest ik terugdenken aan een eind jaren geleden. Toen we in onze buurt nog een stamkroeg hadden. Den Blauwen Hoek. Bij Maria van Jefke De Wever. Maar ik mocht Marieke zeggen. Want Marieke was mijn vriendin. Marieke was een schatje en koekebrood tegelijk. Marieke werd weduwe maar omdat ze te gierig was om van de intrest van haar geld te gaan leven, is ze nog een eind gebleven. In "den" Blauwen Hoek was het zowaar alle dagen kermis. Iedereen kende er iederen. Want wij waren bijna allemaal buren en bekenden. Op een stoel aan een tafeltje hebben we nooit gezeten. De toog was ons heiligdom. En daar hing nogal wat schoon volk. En iedereen betaalde elke keer netjes zijn rondje. Soms ging het zo vooruit dat een mens zowaar met driemaal Jupiler voor zijn neus stond. En als Marieke (het mens stond er tenslotte alleen voor) er een minuutje of vijf niet was, tapten wij gewoon zelf. Wij hadden daar een vergunning en de toelating voor. Op voorwaarde dat wij voor elke pint dertig frank in de schuif deponeerden. En niemand die het waagde om ook maar één keer te foeteren. Jamais...
Het leven en de dood, liefde of een lief kwijt, ziek, geboren of ongelukken: den Blauwe Hoek kende geen enkel geheim. Kwam daar nog eens bij dat wij daar soms met een kliek duivenmelkers aan de slag durfden gaan. Paul Kiekens ondermeer. Paul is een beetje een kunstmid en een kunstenaar. Winnen met duiven was niet zijn eerste optie maar ik heb nooit iemand gekend die duiven zo snel en zo toepasbaar een naam kon geven. Ik herinner nog zijn twee absolute troefkaarten. De Neus en de Valk. Veel wereldkampioen zijn ze nooit geworden maar na een eind kende iedereen deze twee duiven. Mensen kwamen zelfs vragen hoe het met ze was. Kind aan huis bijna... Er was ook nog Sanderke. Voor een emmer bier per dag maakte hij geen enkel ommetje. Frans woonde tenslotte naast de kroeg en dan is binnen wippen echt geen inspanning. Sander was meer een duivenliefhebber dan een duivenmelker. Prijs was voor hem al lang genoeg. Twee keer van vierentwintig duiven achteraan op de uitslag en 't was feest. Doe ze nog eens vol, Marieke. Maar Frans was een brave mens. Zijn volle pensioen van Agfa-Gevaert rolde vol in de schuif van Marieke. Maar niet getreurd. De boekhouding werd stipt bijgehouden. Als Marieke twee dagen voor het eind van de maand merkte dat Sander te gek bezig was, riep ze hem heel effen in de keuken. Pasop, zegde ze dan, de grens is in zicht. Ge gaat in 't rood komen. Maar daar keek Sander al lang niet meer van op. Zolang er maar leute was. En mensen om tegen te klappen. Sander is niet echt oud mogen worden. Op een schone dag ging hij efkens thuis in de zetel liggen. 't Was over en voorbij. En wij hebben hem met eer en alle honneurs feestelijk begraven. De grootste zatlap van de hele buurt hebben we toch maar netjes (bijna) een staatsbegrafenis gegeven. Ik weet het nog goed. Ik heb toen nog het sermoen gehouden. De preek zeg maar... Vrienden uit de kroeg wilden het zo. Ze eisten het bijna. Omdat ze geen boodschap hadden aan pastoors die altijd maar zeggen dat dode mensen brave mensen zijn geweest. En ik... Ja, ik heb toen voor een volle kerk maar de enige en volle waarheid gezegd. Sander, mensen, was een zatlap van de eerste ronde, heb ik gezegd. Hij kon zuipen als een paard, een emmer Jupiler per dag. Maar daarnaast was hij veel beter van hart dan velen-van-ons. De kerk en de mensen begonnen plots te applaudiseren. Een zatlap in een kist in een kerk en dat durven zeggen... Ja, wij hebben Frans met veel eer begraven. 't Is niet omdat iemand graag veel pinten drinkt dat een slechte mens is.
Walter Deckers was dan weer een andere "numéro". Niet echt slecht maar toch. Den Deckers was aannemer en vader van twee kinderen. Hij zwaaide met zijn geld, hij kende alles en iedereen. Hij was kameraad van dikke burgers en onbetrouwbare architecten. En hij kon werken. Behalve wanneer hij weer eens in de kroeg verzeilde. Deckers speelde ook met duiven. Of beter: de duiven speelden met hem. En godganse winters liep hij richting elke verkoping. Hij kocht rommel en pluimen. Tot zijn vrouw het welletjes begon te vinden en op een dag het hele huis leeghaalde. Een tafel, twee stoelen, twee lepels en twee vorken heeft ze gelaten. Dat moet zo, zegde haar advokaat. En toen is het helemaal fout beginnen lopen. Madame was ook met de inhoud van de spaarboekjes weg. Voor duivenspel bleef geen frank meer over. En toen is Walter Deckers zich zowaar avond aan avond gaan bezatten. Tot hij op een nacht over zijn eigen poort wou klauteren (hij was zijn sleutel kwijt), hij mispakte zich, viel en brak zijn nek en zijn ruggegraat. Over en uit. Mijnheer werd naar Edegem gebracht. Universitair ziekenhuis. Hij lag er naast een Russische circusclown. Ook zijn nek gebroken. Nummer zonder net en mislukt. Een eind later - na een slakkegang van veel miserie - is Walter Deckers doodgegaan. In zijn simpele ééntje. Hij was een eind vijftig maar hij heeft geen staatsbegrafenis gekregen.
Franne Peeters leeft nog wel. Hij kan kaarten en topbiljarten als de beste, ooit speelde hij solo-bugel in de fanfare. Tot hij op een dag zijn tanden kwijtraakte en met een vals gebit is solo niet meer te spelen. Frans is weduwnaar. Goeie vent ook. Als we hem laten doen: hij lost Iraq en Afganistan in minder dan een uur helemaal op. Zelfs voor hongersnood heeft hij oplossingen en natuurrampen zijn al helemaal een makkie. Maar Peeters kan ook zingen. Het liefst nummerkes van onder of net na de oorlog. Hij heeft alleen één probleem. Hij kent geen enkele tekst en na een eind begint hij zelf maar wat te verzinnen. Franne Peeters: hij kan rijmen en dichten zonder zijn gat op te lichten. Maar hij kan wel maat houden en dirigeren. Toen ik laatst Marva hoorde, waande ik mij opnieuw bij mijn maten in mijn oude kroeg-van-toen. Want wij hebben daar uren samen gezongen, gekweild en gezeverd. En gedronken... Wat ruist er in het struikgewas, is lang één van onze absolute toppers geweest. Maar ook Freek De Jonge stond op ons repertorium. Er is leven, er is leven na de dood.
Vandaag, jaren later, blijft er van toen niks nog over. Marieke zit in een service-flat, de Blauwe Hoek is enkel nog disco en boenke-boenke. Veel lawaai voor niks. En zelf tappen mogen we ook niet meer. Dan houdt het op natuurlijk. Maar gelukkig zie ik Marieke soms nog af en toe. Als ze mij ziet gooit ze haar fiets aan de kant, ze zwaait en ze lacht en elke keer krijg ik nog altijd drie dikke kussen. Ja, ik heb ze nog altijd lief, Marieke. Oude liefde roest tenslotte nooit. Schone dagen: een mens vergeet ze niet zo gauw.
Meer nog: ik moet Marieke een beetje dankbaar zijn. Toen ons moeder nog leefde en in 't rusthuis was, reed Marieke met haar elke zondagmorgen naar de mis. Marieke duwde de rolstoel. Heen en terug. Zomaar... Marieke is een goed mens, wist ons moeder. Ze had gelijk. Moeders hebben tenslotte altijd gelijk. (30/8:2008)
Ludo GEERTS
Je kunt tegen je eigen dochter toch niet zeggen dat ze de domste geit van het hele dorp is…
EN ’S AVONDS MOCHTEN WIJ ONS
WASSEN IN EEN ZINKEN
BADKUIP…
Normaal zou een mens in zijn half bloot gat ergens in de zon of de schaduw moeten liggen. ’t Is tenslotte vakantie. Maar tegelijk ook crisis, zeggen ze.
De beurs en de banken krijgen flinke klappen, de oliesjeiks worden stinkend rijk terwijl de gewone man in de straat alsmaar meer moeite heeft met de inhoud van zijn winkelkarretje. Alles steigt. Behalve het humeur van de meeste mensen.
Neem nog maar de simpele prijs van de “patatten”. Elke week komen daar in “den” Delhaize, in de Colruyt en in “den” Aldi centiemen per kilo bij terwijl diezelfde aardappelen bij “den” boer met centiemen in prijs dalen.
Met niks te verklaren maar dat de tussenhandel aardig zijn zakken vult, moge duidelijk zijn. Tomaten nog zoiets… Anderhalve euro per kilo in de winkel. Zestig eurocent per kilo in ’t zwart bij mijn buurman die toevallig tuinder is.
En zo gaat dat met alles tegenwoordig. En niemand – maar dan ook niemand – die zijn hand aan de ploeg slaat.
Een stuk miserie staat overduidelijk voor de deur. En dan is er nog het slechte nieuws van school en toestanden.
Ja, ik ga al jaren naar een vrouwelijke kapster. Ik ben dan wel een man maar dat mens was ooit mijn buurmeisje. Vandaar nog steeds onze eeuwig durende relatie.
Vorige week: ze knipte bijna mijn oren van mijn kop. Ze was niet in goeie doen, het lieve kind. Ik durfde uiteraard niet te vragen of haar man misschien ergens een vers lief had gevonden (dat is tenslotte mode tegenwoordig), ik durfde mij nog amper te roeren. Tot ze zelf met haar verhaal kwam…
’t Was de dochter. Haar eerste vol jaar communicatiewetenschappen achter de rug. Dertien buizen van twintig vakken. De zaak compleet onderschat en… de vakantie compleet naar de vaantjes.
Dat is pas crisis, denk ik dan. Hoe moet je daar bovendien mee omgaan? Je kunt tegen je bloedeigen dochter toch moeilijk zeggen dat ze de domste geit van het hele dorp (en omstreken) is? En een trap tegen haar achterste is tegenwoordig ook al verboden door de wet en de politiek.
Mijn vader-zaliger ging daar in zijn tijd heel anders mee om. Veel makkelijker en simpelweg recht door zee.
“-Ge moogt studeren,” zegde hij. “Desnoods tot je zesentwintig. Maar de eerste, schone dag dat je met een buis naar huis komt, is het over en afgelopen. Er is tenslotte werk genoeg in de fabriek.”
Klare taal toch? Maar één keertje was het wel nijpen, moet ik zeggen. Scheikunde? Niks van gebakken. Juist, met mijn klak naar gegooid. Zeven op twintig. Een nieuwe Einstein is overduidelijk niet aan mij verloren gegaan.
De fabriek wenkte dus. Maar ’t was nog recht te zetten. Omdat ze scheikunde en biologie samen telden. En wat moet een mens dan? Blokken uiteraard. Tot de stoom uit je oren komt. Om zeker te zijn van mijn zaak leerde ik die hele biologie-cursus van a tot z uit mijn hoofd. Honderdzesennegentig klein gedrukte bladzijden.
De dag kwam en ik wist het zeker: hier gaan ze mij niet hebben. En ze hadden mij niet. Twintig op twintig, geen letter en geen komma fout. Tel daarbij die zeven schamele punten van scheikunde en de zaak was geklonken. De fabriek bleef voorlopig dicht.
Ja, zo ging dat vroeger. Ouders maakten rond studeren amper veel “fontonten”. Vandaag zie ik bijna overal angstmerries, miserie en bang afwachten.
Maar wat merkt deze oude mens? Vaders en moeders van vandaag leggen het verwachtingspatroon voor hun kinderen veel te hoog. Ze zijn amper de luiers ontgroeid en allemaal moeten ze maar meteen dokter of notaris of advokaat of bio-ingenieur worden. Apotheker is ook goed.

Vroeger studeerde ze snit en naad,
nu moeten ze allemaal dokter worden
Niemand is nog gewoon. Iedereen is tegenwoordig officer, of manager, of service engineer, of frontoffice-medewerker…
Wat het betekent allemaal? Ik denk heel weinig. Als ze tegenwoordig iemand die in de Lidl de rekken aanvult al “orderpicker” gaan noemen… Dan weet je ’t wel zeker.
Ook in het restaurantwezen zijn ze onderhand aardig op weg richting complete waanzin. Ken jij een keukencommis? Ik wel. Dat is de helper van de kok die verder moet zorgen dat alles netjes en proper is.
Tuurlijk kent zo’n eretitel niks van koken. Maar het klinkt chic. Zo ben ik laatst nog een “chef de partie” tegengekomen. Dat moest wel wat zijn, dacht ik bij mezelf.
Drie pinten later bleek die man niks anders te mogen doen dan sla schoonmaken, worteltjes raspen, selder in stukjes snijden.
En als er heel veel werk is, zorg ik soms ook voor de mise-en-place, zegde hij schamper. Toen ik hem zegde dat dat wel heel belangrijk werk moest zijn, begon hij te lachen. ’t Is niet omdat iets Frans klinkt dat het belangrijk is… Was het ook niet. Want mise-en-place wou zeggen dat hij af en toe wat spullen op een bord mocht gooien. Schikken heet dat. Garneren…
Betaalt heel slecht, zegde hij later. Chef de partie en mise en place: heel veel tralala maar eigenlijk stelt het niks voor.
Dat bedoel ik: dat is nog eens klare taal. Maar zo zit het allemaal wel een beetje in mekaar tegenwoordig.
Veel geblaat, weinig wol. En mensen die hun poten nog willen vuil maken: we hebben ze niet meer. We moeten ze importeren. Polen en Portugezen en Roemenen. En als er langs de straat ergens een greppel dient gegraven, zijn het Turken. Allemaal Turken. Zij zijn de absolute wereldkampioenen als het op schoffelen aankomt…
Probeer maar eens een stielman-van-een-loodgieter te vinden als in ’t weekend plots je kraan begint te lekken. Of een electricien als je in het donker en zonder televisie zou zitten. Niet en nergens nog behoorlijk te vinden.
Op die manier moet een land en een volk langzaam maar zeker failliet. Tenzij ze bij de politie zo slim gaan zijn om nog meer flits-containers te plaatsen.
Palen zijn uit de mode. Tegenwoordig zetten ze een soort vuilniscontainers langs de weg met daarin een camera. Dat valt minder op en dat zou meer en beter renderen. Ik rij zo’n ding aan diggelen als ik het ergens zie. Tegen zestien per uur moet dat kunnen. Niet gezien en pats: tegenstander uitgeschakeld.
Wegens te traag gereden, kunnen ze me niet eens een boete geven. Een accidentje moet tenslotte mogelijk zijn.
Of het vroeger beter was? Natuurlijk was het beter… Voor dat ze naakstranden uitgevonden hadden, gingen wij al zwemmen in onze blote flikker. Hele vakanties lang. Vandaag staan daar boetes en gevangenisstraffen op. Pedofilie is nooit nog ver.
Zelfs de veldwachter liet betijën. Als ze zich maar amuseren, zegde hij. En wij amuseerden ons. Met een vislijn, met een oude fiets, met duiven en met kanaries en zebravinken. En ’s avonds mochten wij ons wassen in een zinken badkuip. Haren netjes in een rechte streep en dan kregen we gebakken aardappelen. De overschot van ’s middags. En als we gingen slapen kregen we een kruiske. Eerst gaan zwemmen in “uwen bloten” om dan een kruiske te krijgen…
De tijden zijn overduidelijk veranderd.
L.G. (15-7-2008)
Als in een land de regeltjes belangrijker worden dan de mensen is er echt wel iets aan de hand…
“MELK VAN DE KOE? NEEN, WIJ
LATEN ONS MELK BIJ DE
LIDL MAKEN…”
De cafés zijn leeg. De kerken zo goed als failliet, kermismolens draaien alsmaar minder terwijl Vlaamse kermissen al helemaal uitgestorven zijn. Bal in het dorp ten voordele van…: er komt geen kat.
Buren kennen tegenwoordig in het grootste boerengat hun buren niet meer. Een “klappeke” links, een “klappeke” rechts: het feest gaat niet meer door. En stoelen aan de voordeur zie je ook nog nergens. Langzaam maar zeker zijn in de loop der jaren haast alle draden van gemoedelijkheid doorgeknipt.
Mensen hebben het nog alleen maar druk én druk én druk. Agenda’s zitten overvol. Kinderen eten tegenwoordig eiëren die gemaakt zijn in “den” Aldi of “den” Delhaize. Dat daar nog steeds “kiekens” voor nodig zijn: ze weten het niet meer. Koeïen die melk geven… Den boer? Neen, mijnheer, ons melk komt van de Lidl. Wij drinken alleen nog maar Activea…

"Neen, Mijnheer, ons melk komt
van de Lidl..."
Ik wist eerst niet wat ik hoorde maar na een eind voelde ik hoe zoveel zaken tegenwoordig compleet fout dreigen te gaan.
Kabouter Plop? Die kennen ze. En Mega Mindy ook… Maar van Hans en Grietje, klein duimpje, sneeuwwitje of de gelaarsde kat hebben ze geen enkele notie meer. Dit soort sprookjes worden kennelijk nooit nog verteld.
Moet een mens in deze veranderende wereld en op deze manier voort, vraag ik mij soms af? En hebben wij het echt wel zo gewild?
Om eerlijk te zijn: ik kan er bij momenten met mijn simpel verstand niet meer bij. Ik weet het wel: vroeger was niet alles beter. Maar vroeger was wel anders. En dan vooral een flink stuk zachtaardiger heb ik de indruk…
Zever, lawaai, ruzies: ik heb er als kind maar zelden iets van gemerkt, moet ik zeggen. Niet thuis en ook niet elders.
Huisje Weltevree: dat was van ons. Op vakantie zijn wij thuis nooit gegaan. Hooguit enkele keren naar een speeltuin: dat was ver genoeg.
Tot mijn negentien heb ik de buitenlanden nooit gezien. Vandaag boeken mensen hun verplichte vakantie in januari om in augustus te vertrekken.
Wij, wij bleven thuis. Wij kweekten tenslotte vogels en wij speelden met duiven. En wij voelden ons daar prettig bij.
In ’t weekend hingen, lagen of zaten soms wel twintig buren in “onzen” hof. En ’t leven was een feest. Eén vrolijke kermis. Omdat we niet beter wisten wellicht Vandaag zie ik geen buren meer. De oudjes-van-toen hebben we één na één richting kerkhof gedragen en de nieuwelingen kennen we niet meer. Ze hebben geen naam, ze komen niet buiten want nogmaals: ze hebben het druk én druk én druk.
In mijn diepste binnenste vind ik dit een zorgwekkende situatie om eerlijk te zijn. Maar omkeren gaat nooit nog kunnen.
Vroeger en gisteren komen nooit nog terug. Maar echt goed bezig zijn we niet… Stel je voor: achter mijn huis ligt niet toevallig een prachtig speelplein. Met allerhande toestellen en kort geschoren gras. Er staat een echte goal. En wie komt daar spelen denk je? Simpelweg niemand, geen kind en geen kat.
Kinderen-van-tegenwoordig: ze bewegen niet meer. Van ravotten worden ze moe. Daarom blijft mijn speelplein leeg.
Jonge gasten en een simpel matchke voetbal onder mekaar: dat is veel te lastig, daar zweten ze van. Ze hebben de weg van de minste moeite al lang ontdekt. Wij waren gelukkig als we als eerste een zak patatten van vijftig kilo konden optillen. Honderd kilo kwam later maar het kwam.
Vandaag zijn al dat soort zaken taboe en verboden: ge moet aan die kinderen hun rug denken, mijnheer. Ge gaat hun groei toch niet kraken zeker…
Ochottekes, denk ik dan zonder het te durven zeggen. Maar vaders en moeders van vandaag: ze hebben altijd gelijk. Want het staat in de boekskes dat zoveel dingen niet mogen, niet goed zijn…
Pure verwennerij wil ik dan roepen. Maar ik durf niet.
Ik was vijftien, denk ik, toen ik met de camion reed. Zwaar geladen met meel of zemelen. Neen, nooit niks aan de hand. Een rijbewijs? Was dat nodig dan misschien? Ofwel kun je dingen, ofwel kun je ze niet.
Pasop, ik snap natuurlijk wel dat er in een mensenleven regeltjes moeten zijn. Maar als de regeltjes belangrijker worden dan de mensen is er toch wel iets aan de hand. Zo herinner mij nog onze oude, getrouwe veldwachter. Jos is de naam… Naast zijn job en na zijn uren was hij varkensslachter. In ’t zwart maar beter was nergens te vinden…
Tijdens zijn uren moest hij waken over de goeie gang van zaken. Jos deed dat. Maar wel op zijn manier. Hij suste en hij zalfde. Hij informeerde. In naam der wet. Met zijn zwarte fiets slalomde hij door het dorp. Zette voet aan wal om links en rechts wat te “klappen”. Meer dan veertig jaar is dat zo gegaan.
Tot hij op een schone dag bij de hogere politiebazen werd geroepen. Jos snapte het niet… Achter een brede tafel zaten vier of vijf hogere heren. Met snorren en sterren op hun schouder.
“-Mijnheer Goossens, wij hebben een serieus probleem,” zegden ze. “Wij zien hier dat gij veertig jaar dienst hebt, gij gaat straks een stevig pensioen krijgen maar wij merken in onze statistieken dat gij nog nooit één proces-verbaal hebt gemaakt. Gij hebt nog nooit één mens op de bon geslingerd. Terwijl dat wel uw job is. In ’t belang van de staatskas en ’t vaderland moet ge voor de rest van uw dagen alles beboeten was ge tegenkomt. Begrepen, mijnheer Goossens?”
Jos zegde niks. Jos is buiten gegaan zonder verder goeie dag te zeggen tegen zijn oversten, hij is een pint gaan drinken en één dag later heeft hij zijn pensioen aangevraagd. “-Ik ben niet langer van plan om aan die zotte kuren mee te doen. Driehonderd frank voor een fietslicht dat niet brandt, evenveel voor een boer die ver van huis zijn patattenkruid staat op te stoken. Ze mogen hetzelf uitzoeken.”
En Jos is met pensioen gegaan. Zijn gouden ereteken voor de arbeid is hij nooit gaan halen. Bij zijn jongere collega’s is hij nooit meer langs geweest.
“-Ik heb veertig jaar lang elk probleem dat er was opgelost met woorden,” zegde Jos. “Nu zou ik plots processen-verbaal moeten gaan maken. Dat ze het zelf uitzoeken. Ik doe niet meer mee…”
Jos Goossens is onderhand vijftien jaar met pensioen en niet meer goed te been. Hij heeft nog zeven bijënkorven en zijn oude dag. Maar hij heeft wel gelijk. Agressie en repressie lossen niks op.
Ik weet niet of het bij jullie bestaat. Bij ons wel. Op sommige plekken in ons dorp hangen tegenwoordig van die electronische borden. Daarop kun je dan lezen hoeveel mensen deze maand geflitst zijn of te snel gereden hebben… Vijfhonderd is bij ons op een onnozel baantje zowat het gemiddelde. De kassa doet dan wel goede zaken. Dit soort informatie slaat nergens op…
Het bewijst alleen maar dat vroeger niet meer bestaat. Dat veel dingen net iets complexer zijn geworden, wil ik nog wel snappen.
Maar mensen zijn nog altijd mensen. Alleen zijn zovelen in veel te korte tijd veel te hardvochtig geworden. Te eigengereid.
Het grote gelijk laat nergens nog fantasie toe. Zo heb ik laatst een jonge gast een proces-verbaal weten krijgen omdat hij bugel zat te spelen in zijn dakvenster. En ‘k moet zeggen: hij speelde voortreffelijk. Hij was op weg om een goeie en stevige muzikant te worden. Maar hij is moeten stoppen… Geluidsoverlast. Te veel decibels.
De wereld moet naar de botten, denk ik dan. Als een prettig deuntje al niet meer kan.
L.G. (10-7-2008)
Vorige Pagina: Zonderling dagboek
Volgende Pagina: Ten huize van





